De Stiftsjuffers van 1523-1640

Pas in de eerste helft van de 16de eeuw veranderen de freules hun leefgemeenschap ook formeel in een stift. In 1523 wordt voor het eerst over hen geschreven als een stift door de prior van Albergen. Voor zover bekend, komt in 1567 voor het eerst in hun eigen officiële documenten de term stift voor. Om hun onafhankelijkheid van de kerkelijke hierachie te onderstrepen, noemen zij zich een vrij wereldlijk adellijk Stift. Zij worden een geseculariseerd stift. Daarvoor sprak men officieel nog altijd van convent (klooster)

Na de brand van 1523 werden de middeleeuwse kloostergebouwen niet meer herbouwd. Bij de nieuwe opzet werd gekozen voor een ruimere aanleg en een meer comfortabele behuizing. Op de plaats van de vroegere west- en noordvleugel van het klooster kwamen nu woningen voor de Stiftsjuffers. De dames beschikten trouwens ook voor de brand al over eigen behuizingen.

De Stiftsjuffers van 1640-1730

Daar waar Luther en Calvijn elders in Europa het in diskrediet geraakte christendom opnieuw te bezielen, merkten de Stiftsjuffers daar pas veel later iets van. Pas nadat Oldenzaal in 1626, ver in de Tachtjarige oorlog, definitief op de Spanjaarden was veroverd, kregen de regering van Overijssel en de classis van Deventer de mogelijkheid Twente te hervormen (en in Weerselo een gereformeerde predikant aan te stellen)

De freules werden niet gedwongen protestant te worden , maar wie na 1647 als Stiftsjuffer wilde toetreden, moest van Nederlandse ridderlijke geboorte zijn en van “de ware gereformeerde religie”. Voor de leefwijze der freules zal het niet zoveel verschil gemaakt hebben. Zo bleef de gebruikelijke bedeling aan de armen (vond plaats om de 14 dagen).

De Stiftsjuffers van 1730 – 1811

Het nieuwe elan, dat van de Reformatie uitging, heeft de Stiftjuffers maar een korte tijd kunnen bezielen. Al vrij snel bleef van het gemeenschappelijk leven maar weinig over. Ook omdat er steeds meer Stiftsjuffers buiten het Stift kwamen te wonen. Aan het begin van de 18de eeuw waren er van de 18 jufferen maar 3 “huishoudens” die op het Stift zelf woonden. De overige bleven in hun ouderlijk huis wonen, maar kregen wel de toelagen.

Na 1795 werden er geen nieuwe stiftsdames meer benoemd. De overgebleven Stiftsjuffers kregen tot hun dood hun toelagen uitgekeerd.Zo kwam er een einde aan een eeuwenlang vorm van “kloosterlijk” samenleven.